Maart is een maand waarin veel gesnoeid kan worden in de tuin. Op de grens tussen winter en lente is de kans op strenge vorst voorbij en allerlei laatbloeiende planten en struiken vragen nu om een snoeibeurt voor een rijke zomerbloei.
Heesters snoeien

Heesters die bloeien op eenjarig hout kun je snoeien in maart. Dat geldt onder meer voor pluimhortensia en vlinderstruik (Buddleja). Snoei deze diep terug, tot zo’n 30 cm boven de grond, net boven een paar gezonde bladknoppen. Door zo rigoreus te snoeien vertakt de struik zich mooi en krijg je veel grote bloemen. Minder rigoreus moet je de snoeibeurt van de tuinhibiscus aanpakken. Verwijder alleen dode takken of snoei alleen de jongste gedeeltes van de takken licht terug.
Ook zeer vroegbloeiende heesters als toverhazelaar en winterjasmijn kunnen in maart gesnoeid worden nadat ze uitgebloeid zijn. Knip bij de toverhazelaar alleen te lange of lelijk geworden scheuten weg om de vorm te behouden. Winterjasmijn snoei je in vorm door kruisende takken weg te knippen. Laat enkele jongere takken zitten, want daaruit ontstaat de groei en bloei voor het nieuwe seizoen. Bij de blauwe regen of Wisteria knip je in maart de zijscheuten terug tot op drie knoppen van de hoofdtakken.
Laat voorjaarsbloeiende heesters – zoals forsythia, ribes en vroegbloeiende spirea – met rust. Deze heesters bloeien op meerjarig hout. Als je ze in maart snoeit knip je de bloemknoppen er uit. Hetzelfde geldt voor de boeren- of bolhortensia (Hydrangea macrophylla). Annabelle hortensia’s daarentegen bloeien op het nieuwe hout en kunnen in maart gesnoeid worden. Ver terugsnoeien zorgt voor een rijkere bloei met grotere bloemen.
Fruitbomen snoeien

Fruitbomen snoei je om de aanmaak van nieuwe takken te bevorderen. Er zijn twee soorten fruitbomen, pitvruchtbomen en steenvruchtbomen, die allebei op een ander tijdstip gesnoeid worden.
Appelbomen en perenbomen zijn pitvruchtbomen. Deze fruitbomen kunnen tussen januari en eind maart gesnoeid worden. Liever wat later dan vroeger, omdat de fruitbomen in de eerste maanden van het jaar gevoelig zijn voor ziektes zoals vruchtboomkanker. Deze schimmelziekte verspreidt zich voornamelijk in november en december met vochtig weer. Appel- en perenboom worden op dezelfde manier gesnoeid door de verticale, opgaande scheuten weg te halen. Deze fruitbomen moeten het namelijk hebben van de horizontale takken. Mocht je deze takken toch willen snoeien omdat ze bijvoorbeeld uitsteken, halveer ze dan.
Steenvruchtbomen zoals pruimen, kersen, perziken en abrikozen snoei je van half april tot half september. Dus net na de bloei in april/mei of net na de pluk in augustus.
Voooor het snoeien van de hogere takken van fruitbomen is een telescopische snoeischaar een handig gereedschap.
Rozen snoeien

Ook rozen kunnen in maart worden gesnoeid om een goede bloei te bevorderen. Bij struikrozen knip je al het oude hout en slappe takken weg en snoeit de gezonde takken tot drie ogen terug. Rozen op stam snoei je op dezelfde manier als struikrozen, maar dan op ongeveer een meter hoogte. De scheuten kunnen tot ongeveer 15 centimeter teruggesnoeid worden. Klimrozen moeten elk jaar verjongd en geleid worden. Knip enkele oude takken zo laag mogelijk en bind jonge takken aan.Miniatuurrozen kunnen tot 5 á 10 centimeter boven de grond afgeknipt worden. Bij geënte rozen moet je altijd wilde scheuten wegknippen zodra ze tevoorschijn komen.
Snoeitips

- Snoei bij voorkeur op een droge en vorstvrije dag. Vorst en vocht maken planten vatbaarder voor ziektes.
- Gebruik altijd een schone en scherpe snoeischaar. Een botte schaar maakt rafelige snoeiwonden, waardoor schimmels meer kans krijgen. In dit artikel leggen we uit hoe je zelf een snoeischaar slijpt.
- Houd het snijdende mes (de dunne kant) van je snoeischaar altijd aan de kant van de stam of van de tak die blijft staan. Zo voorkom je kneuzingen in de tak die blijft.
- Gebruik het juiste snoeigereedschap. Voor takken tot zo’n 2,5 cm dikte gebruik je een snoeischaar. Is de tak dikker, gebruik dan een snoeizaag of takkenschaar. Wanneer je ze met een snoeischaar te lijf gaat, zul je moeten wrikken, wat kneuzingen veroorzaakt die de wondgenezing niet ten goede komen.